Blog #12 – Op naar het einde

Ik heb inmiddels alweer flink wat kilometers gemaakt. En ik merk dat ik steeds meer loskom van alles. Mijn hoofd gaat alweer vooruit: wat ga ik doen als ik straks terug ben? Een leuke baan zoeken, of toch iets voor mezelf beginnen? Die gedachten geven me energie. Gewoon weer meedoen in het dagelijks leven.

Ik ben al even bezig met de terugreis. Een paar dagen geleden stond ik in Reims. Ik was naar de stad gefietst om wat te eten, maar moest lopend terug. Sleutel van het fietsslot lag nog in de camper. Dus daar liep ik, rond half elf ’s avonds. Verderop zag ik twee vrouwen. Het leek alsof ze met elkaar aan het worstelen waren. Eén lag op de grond, de ander probeerde haar overeind te trekken. Toen ik dichterbij kwam, zag ik wat er echt aan de hand was. De één was compleet dronken, de ander probeerde haar mee te krijgen. Dat lukte niet.

Ik vroeg of ik kon helpen, maar dat hoefde niet. Ik liep door. En ineens besefte ik hoe vaak ik dit soort situaties heb meegemaakt. Dat kwam hard binnen. Eenmaal terug bij de camper zette ik een kop thee en heb ik daar gewoon even zitten huilen. Blijkbaar zit het dieper dan ik dacht.

Een paar dagen verder, wat kilometers erbij en tijd om na te denken… dat deed me goed.

Maar terug naar het verhaal.

We waren bijna klaar met alles. Na weken opruimen en ontspullen. Ongelooflijk hoeveel je bewaart. Omdat we ons huis voor een jaar verhuurden, moest alles leeg. Wat in de camper paste, ging mee. De rest weg. En net als nu besef je: je hebt helemaal niet zoveel nodig. De helft van mijn kleding heb ik niet eens gedragen. Je grijpt toch steeds naar wat lekker zit. En ik heb niets gemist.

Daarna gingen we naar Zell am See – Kaprun. Met z’n allen op wintersport. Een mooie plek om afscheid te nemen voor een tijd. Het was een fijne week samen. Maar eigenlijk begon de reis daarna pas echt.

We reden door naar Spanje, het mooie weer achterna. De reis ging soepel, op een kapotte koelkast na. Die deed het alleen nog op 220 volt.

Van tevoren hadden we afgesproken: dit is geen vakantie, maar een reis. Dus doordeweeks geen alcohol. Want zon, korte broek en buiten zitten betekent voor ons al snel een drankje. En in Spanje is het elke dag mooi weer.

Maar die afspraak hield helaas geen stand.

Om de paar dagen boodschappen doen en er lag weer limoncello en bubbels in de kar. Ik zei er wat van. “We hebben nog genoeg.” Maar er kwam altijd wel iets bij. Ik bleef herhalen dat we doordeweeks niet zouden drinken, maar het kwam niet aan.

Ik zag de voorraad sneller verdwijnen. Zei er iets van. “Valt wel mee.” Ik vond van niet.

Zelf dronk ik ook wel eens een biertje, zeker na een reisdag. Maar het werd een patroon waar ik me niet prettig bij voelde. We kregen er ruzie over.

We deden ondertussen ook mooie dingen. Lieten de grote steden links liggen en kozen voor kleine dorpjes. Dat voelde beter. Gemoedelijker. We besloten ook al snel dat emigreren naar Spanje niks voor ons was. Ons leven thuis was ons te dierbaar.

We gingen terug naar Nederland, omdat ze tante werd. Dat wilde ze niet missen. Begrijpelijk. En toch wringde er iets.

Na een paar weken vertrokken we weer, de andere kant op. Die reis verraste me. Vooral Bosnië—prachtige natuur, vriendelijke mensen.

In Kroatië ging het weer mis. Eten bleef niet binnen, maar drinken wel. Ik had het op dat moment al een beetje losgelaten. Ik was de zeur, dus hield ik me stil. De energie om ertegenin te gaan was er niet meer.

Met mijn zus reisden we een stuk door Italië. Heerlijk. Maar ook daar begon het anderen op te vallen. Geen echt gesprek meer mogelijk. Altijd op haar telefoon aan het kijken.  Na een paar weken namen we afscheid. Wij gingen verder, maar de afstand tussen ons werd steeds groter. Ook fysiek. Intimiteit was er al een tijd niet meer. En dat gaat knagen.

Op de terugweg naar boven werd de drang om naar huis te gaan steeds sterker. Eerst dacht ik aan heimwee. Tot het moment dat ze per se naar de Ardennen wilde, waar haar vader was. Prima, dacht ik. Contact is belangrijk.

Dat werd onze laatste stop.

Eenmaal thuis begon het gewone leven weer. En dat viel me zwaar. Ik kon mijn draai niet vinden. Thuis ging het snel weer bergafwaarts. Het drinken nam toe. We leefden langs elkaar heen. Meer als broer en zus, intiem waren we al lang niet meer. We hebben hier ook regelmatig over gesproken. Ik dan vooral, zij haalde haar schouders op. 

Ik probeerde alles. Goed eten, smoothies, structuur. Wandelen, sporten. Alles om het patroon te doorbreken. 

Even leek het te werken.

Tot de wintersport.

We hadden nog getwijfeld: moeten we dit wel doen? Maar we gingen. En daar ging het weer volledig mis. Zo erg dat ik de hele terugreis bijna niets heb gezegd.

Thuis heb ik aangegeven dat dit niet langer zo kon. Ik had tijd nodig. Ze ging naar haar ouders, maar die bleken op vakantie. Geen toezicht. Dat merkte ik snel genoeg. Appjes waren niet te ontcijferen en toen ik belde kwam er geen fatsoenlijk woord meer uit. Dus ik gelijk heen gereden om haar maar weer op te halen. Ze was compleet van de wereld.

Dat was voor mij de grens.

Ik heb gezegd: dit is de laatste keer. Maar diep van binnen wist ik al dat het niet genoeg was.

We schakelden hulp in. Huisarts, interventie coach., die kwam via haar zus. Mijn voorstel voor een kliniek werd afgewezen. Het moest geheim blijven. Blijkbaar wisten ze nog niet hoe serieus het probleem was. Ook de interventie coach niet die ging er na mijn beleving veel te lichtzinnig mee om. Ik werd overigens overal buiten gehouden, vond ik ook raar maar goed wie ben ik. Maar er gebeurde tenminste wat, en even leek het beter te gaan. 

Tot die ene middag.

Ze kwam thuis en zette de auto half op het fietspad. Dat was het moment dat alles kantelde. De volgende dag heb ik gezegd dat ik weg zou gaan. Even met de camper op pad. Nee zei ze ik ga wel naar vrienden.

De volgende ochtend belde ze: of ik haar kon ophalen. Ze lag laveloos in de kamer.

Thuisgekomen heb ik haar zus gebeld. Dit was mijn grens. Ik kon niet meer.Ik heb haar spullen gepakt, haar meegegeven en daar stond ik dan. Woest. Machteloos.

 Nadat het daar ook weer vreselijk mis was gegaan, ze was kwijt. Auto ergens anders  en ze werd een paar straten verderop gevonden met de deuren op, lege flessen op de stoel. Toen heb ik voor mij zelf  de knoop doorgehakt. Ik ben naar haar toe gegaan en heb gezegd dat ik wilde scheiden. Haar reactie verwonderde mij “ oké “ .  Niks van het spijt me, sorry niks. 

Ik kon dit niet meer dragen. 

Achteraf zie ik dat de structuur van de reis misschien nog houvast gaf. Een soort controle. Thuis viel dat weg en ging het sneller bergafwaarts.

Het weekend voordat ze vertrok heb ik haar bankafschriften gezien. Bedragen van een paar euro, 3,99 of 7,98 eindeloos herhaald. Toen viel het kwartje pas echt. Het was nog erger dan ik dacht. 

Dat ik dit gemist had… dat voelde pijnlijk, hartverscheurend. Kwaad op mij zelf. Dat ik dit niet niet het kunnen redden. Het gevoel van vroeger kwam weer naar boven. Het is nooit goed genoeg. Maar wat had ik in vredesnaam meer kunnen doen?

Genoeg voor nu, de volgende het laatste deel van mijn reis. 

De reis is bijna klaar.

En ergens weet ik nu:

ik was al veel langer onderweg dan alleen die kilometers.

Ik bleef.

Ik probeerde.

Ik trok.

Ik duwde.

Tot ik niet meer kon.

Want hoe hard je ook werkt,

hoeveel je ook geeft…

je kunt dit niet voor een ander oplossen.

Dat besef kwam laat.

Misschien te laat.

Maar wel op tijd voor mezelf.

De reis is bijna klaar.

In kilometers… en in woorden.

En dit keer stap ik niet verder

om iets te redden…

maar om mezelf niet meer kwijt te raken.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *